Van taal naar teken

9 september 2025

NIEK HENDRIX Al tientallen jaren werkt Marjolijn van den Assem aan een oeuvre waarin het talige overgaat naar beeld. We spreken met haar over Oost-Indische inkt, papier, Nietzsche en als zilver glimmende nietjes. 

Ergens aan de Maas in Rotterdam ligt de atelierwoning van Marjolijn van den Assem (1947). Vanaf haar woning heb je uitzicht over de rivier en het iconische voetbalstadion De Kuip. In de ochtendzon moet het hier prachtig zijn. Haar atelier kijkt juist de tegenovergestelde richting in, naar de straat. De twee ramen die het heeft, zijn afgedekt met gesloten verticale lamellen. Er komt licht naar binnen, maar de buitenwereld voelt ver weg. 

Worden wie je bent

Marjolijn van den Assem begint haar werk zonder een uitgebreid plan of idee van het eindresultaat. ‘Ik zoek iets, maar ik weet niet wat.’ Deze zoektocht naar het onbekende en het vertrouwen op het proces is terug te voeren op het ‘worden wie je ben’ van de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844 - 1900). Haar werk bespreken zonder de filosofie van Nietzsche erbij te noemen, is onmogelijk. Zijn denken is een constante bron van inspiratie voor Marjolijn. Het moedigt haar aan om buiten de traditionele grenzen van het kunstenaarschap te denken en de onzekerheden die dat met zich meebrengt te omarmen, om iedere seconde van het leven te benutten. Het persoonlijke en het artistieke zijn dan ook nauw met elkaar verbonden. Het werk zelf bepaalt ten tijde van het proces wat er gebeurt en hoe het er uiteindelijk uitkomt te zien. Marjolijn geeft zichzelf dan ook de vrijheid om spontaan te reageren op wat de materialen doen en sluit het toeval niet uit. Deze openheid voor het onbekende benadrukt het intuïtieve aspect van haar manier van werken: ‘Iedere impuls aangaan.’ Dat het uiteindelijk goed komt, vraagt om een bepaalde hoeveelheid zelfvertrouwen. De aanleiding om tot werk te komen is vaak letterlijk een tekst van Nietzsche of een schrijver waarmee ze een diepe verwantschap voelt. Ze pakt een woord, een zin of een stemming en schrijft dat op een stukje papier. Dit slingert dan enige tijd rond in het atelier tot het een plek krijgt in haar werk. Eén van haar lievelingswerken is gebaseerd op een brief van Nietzsche waarin hij schrijft dat hij de nevel ziet en dat hij samen met de nevel rust op het water. ‘Dat is zo›n prachtig beeld.’ Ze is daar destijds spontaan mee aan de slag gegaan, waardoor er in het werk van alles kon gebeuren. Het zijn voor haar herinneringen aan een landschap; het werk is een gelaagde vertaling van haar ervaringen met dat landschap. De oorsprong van haar werk ligt dus vrijwel altijd bij tekst. Hoewel deze eerst dus letterlijk aanwezig is, transformeert de tekst naar beeld. In veel werken is die tekst zo goed als onzichtbaar; in andere kun je concrete flarden nog teruglezen. Ze ziet zichzelf niet als schrijver, maar als tekenaar. Een echt onderscheid tussen tekst en beeld ziet ze niet: het ene transformeert in het ander. Het schrijven is een vorm van schilderen, het schilderen is een vorm van schrijven. Het maakproces van Van den Assem bevindt zich in het spanningsveld van controle en een continue loslaten. De gelaagdheid van het werk ontstaat door het aanbrengen van meerdere lagen van inkt, verf, nietjes of zelfs uitgesneden of uitgeknipte delen van werk. 

Marjolijn van den Assem Brevis libellus
1

Marjolijn van den Assem Vakwerkbrug
2

100% fysiek

Het materiaal speelt een cruciale rol in het werk van Van den Assem; het maakt soms keuzes die ze zelf niet verwacht, en ze moet daarop vertrouwen. Ze beschouwt haar materiaal dan ook als een actieve partner in het maakproces. Gepassioneerd vertelt ze over de Oost-Indische inkt die ze al jaren gebruikt van Winsor & Newton, Black Indian Ink. Die heeft volgens haar een bijna autonome eigenschap, waarbij het lijkt alsof de inkt zelf beslissingen neemt over hoe het werk zich ontwikkelt. ‘Hij neemt beslissingen over wat hij wel en niet laat zien.’ Ze laat de controle dus deels los en laat de inkt zelf zijn gang gaan. Deze interactie is belangrijk voor haar manier van werken. ‘Ik ben echt helemaal verliefd op deze inkt,” vertelt ze, ”hij is niet te dik en niet te dun, en hij onthoudt je handschrift.’ Daarmee bedoelt ze hoe haar penseelstreken in onderliggende lagen zichtbaar blijven, ook na meerdere lagen over elkaar te hebben aangebracht. De inkt is daarmee zowel dekkend als transparant tegelijk. Op sommige plekken blijft hij glanzend, en op andere plekken wordt hij juist mat. Alle aspecten van deze inkt geven het werk letterlijk en figuurlijk een gelaagdheid. Ze brengt de inkt aan met pennen, penselen, gigantische kwasten of gewoon met haar handen. Haar favoriete kwast is een Japans penseel, dat traditioneel wordt gebruikt om zowel te schrijven als te schilderen. De Japanse kwast geeft precisie en controle, en tegelijkertijd ruimte voor expressie en spontaniteit. Naast de inkt is 400 grams museumkarton Moorman Karton Weesp (in vellen van 122 x 92 cm) essentieel voor haar werk. Het vormt het fundament van haar kunstwerken en ondersteunt de intensiteit van haar werkwijze. Van den Assem beschrijft het als ‘onwaarschijnlijk duur’ en ‘hartstikke dik’ maar het stelt haar in staat om ‘100% fysiek’ met het materiaal om te gaan. Op het ijzersterke materiaal kan ze ‘timmeren en kauwen.’ Op de momenten dat het formaat van het karton te kort schiet gebruikt ze rollen 200 grams Fabriano papier (1000 x 150 cm). Sommige werken worden ruimtelijk door stukken papier aan elkaar te nieten. Het was voor haar een hele zoektocht naar de juiste nietjes. Eerder gebruikte ze normale nietjes, totdat ze de roestvrijstalen variant ontdekte, die een speciale kwaliteit toevoegt aan het werk: ‘ze blijven glimmen als zilver.’ Het proces van het nieten is net zo intensief als het werken met inkt. Ze werkt als een ‘bezetene’ zoals ze zelf zegt, en schiet duizenden nietjes in het werk om het de juiste vorm te geven. Marjolijn van den Assen hecht sterk aan haar materialen. De angst dat haar favoriete inkt, karton en nietjes niet meer verkrijgbaar zijn, is aanwezig. Ze heeft ze dan ook in grote hoeveelheden ingekocht om zo nog lang vooruit te kunnen. 

Marjolijn van den Assem muur in het atelier
3

Zelfvertrouwen

Het werk is af zodra het werk af is. Op het moment dat het zover is, hangt ze het op aan de muur, en daar blijft het dan vaak een tijdje hangen. Ze zegt stellig dat dit het moment is dat ze de baas is. Alleen zij heeft de macht om te bepalen of het af is of niet. De buitenwereld is in die fase dan ook niet welkom in het atelier. Die mag pas komen als het af is of bij een van de vele tentoonstellingen die ze heeft. Ondanks haar groeiende succes en erkenning blijft ze bescheiden over haar eigen positie. Vooral in het begin van haar carrière had ze het gevoel dat ze als vrouw niet serieus werd genomen door haar vooral mannelijke collega›s. Dit resulteerde in een onzekerheid die voortkwam uit maatschappelijke verwachtingen van vrouwen in haar tijd. Ze noemt dit zelf het ‘mijn-moeder-doet-het-aardig-syndroom.’ Ze twijfelde aan alles. De erkenning van bepaalde kunstenaars (zoals Daan van Golden en JCJ Vanderheyden) en curatoren (Josine de Bruyn Kops van Museum Gouda en Liesbeth Brandt Corstius van Museum Arnhem) waren belangrijke versterkers van haar zelfbeeld. Desondanks blijft ze verrast door de erkenning die ze krijgt. Zoals over het winnen van de Chabot- prijs: ‘ik kan nog steeds niet bevatten dat een jury heeft besloten dat ik dat verdien.’ Het belangrijkste moment voor haar artistieke ontwikkeling was het ontdekken van het boek Ecce Homo (1908) van Nietzsche. ‘Daarin’, aldus Van den Assem, ‘schrijft hij blakend van zelfvertrouwen en daardoor ook op de rand van de waanzin.’ Het heeft een blijvende stempel gedrukt op haar kunstenaarspraktijk: ‘In de zin dat je bezig bent jezelf te verliezen. En dat wil ik dus.’ 

Dit artikel verscheen eerder in kM #132 Taal & Teken (p10-13). Bestel het nummer hier, of abonneer nu.

Foto's

  1. Marjolijn van den Assem, brevis libellus (15), 2015, onder andere inkt, grafietstift, krijt, nietjes op museumkarton, 122 x 92 x 16 cm.
  2. Marjolijn van den Assem, Vakwerkbrug Verstijfde staafboogbrug (1), 2021, 39 x 40 x 21 cm. 
  3. Muur in het atelier van Marjolijn van den Assem. 

Altijd op de hoogte blijven?